5e Zondag van de Veertigdagentijd (Jaar C)

7 apr 2019

De evangelies van de derde, vierde en vijfde zondag van de veertigdagentijd hebben in het C-jaar betrekking op teksten over bekering in het evangelie volgens Lucas. Op deze vijfde zondag wordt het evangelie gelezen over Jezus en de op overspel betrapte vrouw.

De barmhartigheid van Jezus tegenover de overspelige vrouw

Elke keer, wanneer Jezus spreekt over het vergeven van zonden, geven de omstanders blijk van protest en nemen ze er aanstoot aan. […] Zo zien we dat de evangelist enkele veelbetekende bijzonderheden heeft willen optekenen in het verhaal over de vrouw die op overspel was betrapt en die door schriftgeleerden en Farizeeën bij Jezus werd gebracht om Hem uit te dagen tot een oordeel op grond van de Wet van Mozes. Het eerste antwoord van Jezus op de aanklagers van de vrouw, nl. “Laat degene onder u die zonder zonde is, het eerst een steen werpen” (Joh. 8, 7) getuigt al van zijn realistische kijk op het menselijk bestaan, allereerst van zijn gesprekspartners zelf, die de ene na de andere afdropen. Bovendien valt ons diepe menselijkheid op, waarmee Hij op de misstappen reageert. Hij zegt haar: "Ga heen en zondig van nu af niet meer" (Lc. 8, 11), maar Hij verplettert haar niet onder het gewicht van een onherroepelijke veroordeling. In de woorden van Jezus weerklinkt voor ons de bevestiging van zijn macht om de zonden te vergeven, en bijgevolg ook van de transcendentie van zijn goddelijk Ik, wanneer Hij aan de vrouw vraagt: "Heeft niemand u veroordeeld?", en op haar antwoord: "Niemand, Heer", verklaart: "Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer" (Joh. 8, 10-11). In dat "ook Ik niet" klinkt de macht door om te oordelen en te vergeven, - een macht die . het Woord bezit in gemeenschap met de Vader en die Hij uitoefent door zijn menswording tot heil van ieder van ons. (H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak tijdens de algemene audiëntie, woensdag 7 okt. 1987, nr. 3-4)

Liturgische bijzonderheden

Het bedekken van kruisen en beelden

Het gebruik om de kruisen en beelden in het kerkgebouw te bedekken vanaf de vijfde zondag van de veertigdagen kan in ere gehouden worden. (Paschalis sollemnitatis, 26). De kruisen blijven bedekt tot na de liturgische viering van het lijden en sterven van de Heer op Goede Vrijdag, de beelden tot aan het begin van de Paaswake. (Paschalis sollemnitatis, 26). Wanneer dit bedekken van de kruisen niet gebeurt op de zaterdag voorafgaand aan de liturgie van de vijfde zondag van de veertigdagentijd, verdient het aanbeveling om dit alsnog te doen na de avondmis van Wittre Donderdag, en dan met een rode of paarse doek (Paschalis sollemnitatis 57).

Wanneer op Goede Vrijdag bij de ritus van de kruisaanbidding gekozen wordt voor het binnendragen en onthullen van het bedekte kruis (Altaarmissaal p. 330, eerste vorm van kruistoning) is het aan te bevelen dat de kruisbeelden bedekt zijn vanaf deze vijfde zondag van de veertigdagentijd, resp na de avondmis van Witte Donderdag.

Derde onderzoek van de uitverkoren doopkandidaten

Op de vijfde zondag van de veertigdagentijd vindt het derde onderzoek plaats van de uitverkorenen voor het doopsel met Pasen; het is voor hen de periode van innerlijke zuivering en verlichting.

Wanneer deze ritus plaats vindt, worden de lezingen van het jaar A gebruikt met als evangelielezing die over de opwekking van Lazarus. Wanneer de plechtigheid omwille van pastorale redenen niet op deze dag kan plaatsvinden, neme men andere zondagen van de veertigdagentijd of zelfs daarvoor in aanmerking komende weekdagen. Omdat het evangelie over de opwekking van Lazarus, van het grootste belang is in verband met de christelijke initiatie, kan het – ook al behoort het tot het A-jaar – toch in het B- en C-jaar gelezen worden, vooral waar doopleerlingen zijn (Paschalis sollemnitatis, 24).

Over de uitverkorenen voor het doopsel wordt een smeekgebed en exorcisme uitgesproken, hun worden de handen opgelegd en zij worden weggezonden. Daarna wordt de eucharistie gevierd te beginnen met de voorbede (het gebed van de gelovigen, gevolgd door de geloofsbelijdenis (aan de uitverkorenen zal later de geloofsbelijdenis worden toevertrouwd); daarna vervolgt de eucharistie op de gebruikelijke wijze vanaf de bereiding van de offergaven. (vgl. Het doopsel van volwassenen, p. 87-91)

De ritus van de overdracht van het Gebed des Heren

Het gebed des Heren behoort van oudsher tot het bezit van hen die de geest van het kindschap van God in het doopsel hebben ontvangen; als pasgeborenen zullen zij het samen met andere gedoopten uitspreken bij de eerste eucharistieviering waaraan zij zullen deelnemen.

De overdracht van het Gebed des Heren aan de uitverkorenen heeft bij voorkeur plaats in de week die op het derde onderzoek volgt. De gebruikelijke weekdaglezingen worden dan vervangen door daarvoor aanbevolen toepasselijke perikopen. De overdrachyt gebeurt door de voorlezing van het evangelie, waarin Jezus zijn leerlingen het "Onze Vader" voorhoudt (Mt. 6,9-13). Na de homilie volgt een gebed over de uitverkorenen. (vgl. Het doopsel van volwassenen, p. 97-99)