De schriftlezingen in de advent

23 dec 2018

De schriftlezingen op de zondagen van de Advent

“De lezingen uit het evangelie hebben een eigen kenmerk: zij gaan over de komst van de Heer aan het einde der tijden (eerste zondag), over Johannes de Doper (tweede en derde zondag) en over de gebeurtenissen die de onmiddellijke voorbereiding vormden op de Geboorte van de Heer (vierde zondag). De lezingen uit het Oude Testament zijn profetieën over de Messias en de Messiaanse tijd, vooral uit het boek Jesaja. De lezingen uit de Apostel geven aansporingen en aankondigingen in overeenstemming met de verschillende kenmerken van deze tijd” (Ordo lectionum missae, 93).

“De advent is de tijd die de christenen voorbereidt op de genadegaven die ook dit jaar rijkelijk zullen worden geschonken in de viering van het grote hoogfeest van Kerstmis.

Vanaf de eerste zondag van de advent wordt het volk van God aangespoord om een voorbereiding met tal van facetten te beginnen, waarvan elk wordt aanbevolen door de rijke verzameling Bijbelpassages in het lectionarium van deze periode. De eerste fase van de advent als voorbereiding op Kerstmis nodigt ons uit om niet alleen de blik te richten op de tijd van de eerste komst van onze Heer, toen Hij – zoals de eerste prefatie van advent zegt – “de nederigheid van het vlees heeft aangenomen”, maar ook om waakzaam uit te zien naar zijn terugkeer “in glorie en majesteit”, wanneer “zijn heilswerk ten volle zichtbaar wordt”. (Homiletisch Directorium, 78)

“Daarom is er een dubbele betekenis van advent − een dubbele betekenis van de komst van de Heer. Deze tijd bereidt ons voor op zijn genadevolle komst in het feest van Kerstmis en op de terugkeer van de Heer voor het oordeel op het einde der tijden. De Bijbelteksten zouden zo moeten worden uitgelegd dat men deze dubbele betekenis duidelijk voor ogen houdt. Al naar gelang de tekst kan de eerste of de tweede komst op de voorgrond worden geplaatst […]. Er is vervolgens een andere komst: wij luisteren naar deze lezingen in de eucharistische samenkomst waar Christus waarlijk tegenwoordig is. Aan het begin van de advent roept de Kerk het onderricht van de heilige Bernardus voor de geest, namelijk dat er tussen de beide zichtbare komsten van Christus (in de geschiedenis en aan het einde der tijden) hier en nu een onzichtbare komst is, en zij maakt zich de woorden van de heilige Carolus Borromeus eigen: Wanneer de Kerk ieder jaar dit mysterie viert, leert zij ons dat de komst van Christus niet alleen voor de tijdgenoten van de Verlosser heilzaam is geweest, maar dat wij allen tot op de huidig dag deel kunnen hebben aan de werkzaamheid van zijn genade, als wij tenminste bereid door het heilig geloof en de sacramenten de genade te aanvaarden die Hij voor ons heeft verdiend, en met deze genade ons leven in gehoorzaamheid aan Hem willen inrichten.” (Homiletisch Directorium, 79).

De schriftlezingen op de weekdagen van de Advent

“Er wordt een dubbele serie lezingen geboden: de ene om te gebruiken vanaf het begin tot en met 16 december, de andere vanaf 17 tot en met 24 december.

In het eerste deel van de advent wordt de lezing uit het boek Jesaja genomen, verdeeld naar de volgorde van het boek, waarbij zeker de teksten van groter belang - die ook op de zondagen voorkomen - niet worden overgeslagen. De Evangelies van deze dagen werden uitgekozen met het oog op de eerste lezing.

Vanaf de donderdag van de tweede week beginnen de Evangelielezingen die over Johannes de Doper gaan; de eerste lezing is echter ofwel de voortzetting van het boek Jesaja ofwel een tekst die werd uitgekozen met het oog op het evangelie.

In de laatste week vóór de Geboorte van de Heer (Kerstmis) worden uit het evangelie van Matteüs (hfdst. 1) en Lucas (hfdst. 1) de gebeurtenissen aangereikt die de geboorte van de Heer op directe wijze hebben voorbereid. In de eerste lezing zijn met het oog op het Evangelie teksten geselecteerd uit verschillende boeken van het Oude Testament, waaronder enkele messiaanse voorspellingen die van groot belang zijn.” (Ordo lectionum missae, 94)