De vierde zondag van de advent (Jaar A)

22 dec 2019

Met de vierde zondag van de advent is Kerstmis intussen dichtbij gekomen. De atmosfeer van de liturgie gaat van vurige oproepen tot bekering over op de gebeurtenissen die zeer dicht bij de geboorte van Jezus staan. Er is een koerswijziging, die in de tweede prefatie van de advent naar voren wordt gebracht. “Zie, de maagd zal ontvangen” is de titel van de eerste lezing van jaar A. Zeker, alle lezingen – van de profeten tot de apostelen, tot de evangelies – draaien rond het mysterie dat door de aartsengel Gabriël aan Maria wordt verkondigd. (Homiletisch Directorium, 96)

De lezing van het evangelie

“De engel des Heren heeft aan Maria geboodschapt. En zij heeft ontvangen van de Heilige Geest”. De macht en de kracht van dat uur zijn nooit verminderd. Deze boodschap wordt nu opnieuw gevoeld, wanneer ze de samenkomst doordringt waar het Evangelie wordt verkondigd. Zij geeft vorm aan het bijzondere uur van de viering van de gemeenschap. Wij zijn in dat mysterie verzonken. In zekere zin zijn wij aanwezig bij het tafereel. Wij zien hoe een engel verschijnt aan de maagd Maria in Nazaret in Galilea – ook de Kerk aanschouwt het tafereel, wanneer zij het drama van hun ontmoeting en hun gesprek met verbazing volgt. Er  weerklinken een goddelijke boodschap en een menselijk antwoord. Maar terwijl wij toekijken, worden wij ons ervan bewust dat wij niet alleen maar als toeschouwers worden toegelaten tot deze verschijning. Wat aan Maria wordt aangeboden – dat zij de Zoon van God in haar schoot zal ontvangen –, wordt in zekere zin in de liturgie van de vierde zondag van de advent aangeboden aan iedere samenkomst van gelovigen en aan iedere afzonderlijke gelovige. Kerstmis, dat nog maar een paar dagen verwijderd is, zal ons geschonken worden. Precies zoals Jezus heeft gezegd: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij mijn woord onderhouden; mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en verblijf bij hem nemen” (Joh 14, 23). (Homiletisch Directorium, 98)

Het mysterie van de maagdelijke ontvangenis van Maria is het thema van het evangelie van jaar A. Hier ontwikkelt zich het verhaal vanuit het gezichtspunt van Jozef, zoals dat wordt verteld door Matteüs. De eerste lezing is een korte passage uit Jesaja, waarin de profeet de bekende zin uitspreekt: “Zie, de jonge vrouw zal ontvangen en een zoon baren, en zij zal hem noemen ‘Immanuël’.”

De Kerk ziet de vervulling van de teksten van het Oude Testament terecht in de gebeurtenissen van het leven van Jezus. In de passage uit Matteüs luistert de samenkomst naar de met zorg verhaalde bijzonderheden rond de geboorte van Jezus, die afgesloten worden met de zin: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door de profeet”. Een profeet spreekt in de geschiedenis, in concrete omstandigheden. In 734 voor Christus werd koning Achaz geconfronteerd met een machtige vijand; de profeet Jesaja spoordde hem aan geloof te hebben in de macht van God om Jeruzalem te bevrijden en hij gaf de koning een door de Heer gezonden teken. Toen de koning schijnheilig weigerde, kondigde de geïrriteerde Jesaja hem aan dat hem hoe dan ook een teken zou worden gegeven, nl. het teken van een maagd van wie de zoon Immanuël zou worden genoemd. Maar door middel van de Heilige Geest, die heeft gesproken door de profeet, krijgt hetgeen een betekenis had in die precieze historische omstandigheden, nu een ruimere betekenis, aangepast aan een veel grotere historische omstandigheid: nl. de komst van de Zoon van God die vlees wordt. Alle profetieën en heel de geschiedenis spreken tenslotte hierover. (Homiletisch Directorium, 101)

De evangelist bekommert zich erom twee waarheden over Jezus in evenwicht te houden: dat Hij de Zoon van David en de Zoon van God is. Het zijn twee essentiële waarheden om te begrijpen wie Jezus is. Zowel Maria als Jozef vervullen een precieze rol in de vervulling van deze harmonische vervlechting van het mysterie. (Homiletisch Directorium, 102)

Maria bleek alvorens samen te gaan wonen met Jozef zwanger te zijn van de Heilige Geest. Het is derhalve voor de toehoorders en lezers van de passage duidelijk dat het kind niet van Jozef is, maar de Zoon zelf van God. In het verhaal is dit echter nog niet duidelijk voor Jozef.  Voor welk drama ziet Jozef zich gesteld? Verdenkt hij Maria van ontrouw en besluit hij zo “in stilte van haar te scheiden”? Of heeft hij misschien een vermoeden van het goddelijke werk, dat hem doet vrezen Maria tot zijn vrouw te nemen? Ook  het stilzwijgen van Maria is verwarrend. Zij houdt immers het geheim dat er tussen haar en God is, voor zich en het zal aan God zijn te handelen om de situatie op te helderen. Geen enkel menselijk woord zou voldoende zijn om een zo groot mysterie uit de leggen. Terwijl Jozef deze dingen overweegt, openbaart een engel hem in een droom dat Maria heeft ontvangen van de Heilige Geest en dat hij niet moet vrezen. De liturgie van de advent nodigt de gelovigen uit om niet te vrezen en, evenals Jozef, het goddelijk mysterie te aanvaarden dat zich in hun leven aan het voltrekken is. (Homiletisch Directorium, 104)

Een engel bevestigt in een droom aan Jozef dat Maria heeft ontvangen van de Heilige Geest. En zo wordt opnieuw duidelijk: Jezus is de Zoon van God. Maar Jozef zal twee daden moeten stellen, twee handelingen die de geboorte van Jezus moeten legitimeren in de ogen van de cultuur en het geloof van de joden. De engel richt zich uitdrukkelijk tot hem met de woorden: “Jozef, zoon van David”, en geeft hem de opdracht Maria in huis te nemen. Zo maakt hij het mogelijk, dat haar mysterie hem verandert. Hierna zal hij het kind een naam moeten geven. Deze twee handelingen maken van Jezus “de Zoon van David”. Ofschoon het verhaal van Matteüs zou kunnen vervolgen met de woorden: “Ontwaakt uit de slaap, deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had”, wordt het verhaal daarentegen onderbroken door de profetie van Jesaja: “Dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden wat de Heer gesproken heeft door de profeet”, om vervolgens het vers van de profeet te citeren dat men in de eerste lezing heeft gehoord. Wat Jesaja tegen Achaz zegt, is in vergelijking daarmee weinig. Nu moet het woord “maagd” letterlijk worden opgevat en zij ontvangt van de Heilige Geest. En wat te zeggen van de naam die ze het kind moeten geven, Immanuël? Matteüs legt anders dan Jesaja de betekenis ervan uit: “God-met-ons”. Ook deze woorden moeten, zoals de omstandigheden ons laten zien, letterlijk worden opgevat. Jozef, de Zoon van David, zal Hem Jezus noemen; maar het diepste mysterie van zijn naam is “God-met-ons”. (Homiletisch Directorium, 105)

De tweede lezing

Op dezelfde zondag horen wij in de tweede lezing uit de Brief van de heilige Paulus aan de Romeinen een theologisch taalgebruik dat weliswaar ouder en eenvoudiger is dan dat van Matteüs, maar reeds het belang onthult van het harmonisch evenwicht in de titels die het mysterie van Jezus tot uitdrukking brengen. De heilige Paulus spreekt over de “boodschap over zijn Zoon, die naar het vlees geboren is uit het geslacht van David, die naar de Heilige Geest is aangewezen als Zoon van God door Gods machtige daad, door zijn opstanding uit de doden”. De heilige Paulus ziet de titel “Zoon van God” bekrachtigd in de verrijzenis van Jezus. Zoals wij zojuist hebben gezien, legt de heilige Matteüs de betekenis van de naam Immanuël uit als “God-met-ons”, en hij brengt dit inzicht over de verrezen Heer tot uitdrukking door te verwijzen naar het begin van zijn menselijk bestaan! (Homiletisch Directorium, 106)

Desondanks toont de heilige Paulus ons direct de manier om wat wij in deze teksten horen, met elkaar in verband te brengen. Na Degene die in het middelpunt staat van zijn evangelie, plechtig “Zoon van David en Zoon van God” te hebben genoemd wijst hij de heidenen aan als hen die geroepen zijn om “Jezus Christus toe te behoren”. Wat meer is, hij zegt tegen hen: “God heeft u lief en riep u tot zijn heilige gemeente”.

De christenen luisteren naar de wonderbaarlijke geschiedenis van de geboorte van Jezus Christus, die op wonderbare wijze in vervulling doet gaan wat beloofd is door middel van de profeten, maar zij horen vervolgens ook een woord over hen zelf: zij zijn geroepen om Jezus Christus toe te behoren, zij worden bemind door God en zijn geroepen om heilig te zijn. (Homiletisch Directorium, 107)

De Kerk vereenzelvigt zich met Maria

In deze laatste dagen van de advent vereenzelvigt heel de Kerk zich met Maria. Op het gezicht van de Kerk zijn de gelaatstrekken van de Maagd geprent. De Heilige Geest is nu werkzaam in de Kerk, zoals Hij altijd werkzaam is geweest. Daarom bidt de priester in het gebed over de offergaven, wanneer de samenkomst op deze zondag het eucharistisch mysterie binnengaat: “God, moge de Geest, wiens kracht Maria heeft overschaduwd, zodat zij moeder werd van de Heer, ook de gaven heiligen die wij op uw altaar hebben neergelegd”.

Door de eucharistie, door de kracht van de Heilige Geest zullen de gelovigen in hun eigen lichaam dragen wat Maria in haar schoot droeg. Evenals Maria zullen zij “haastig” de naaste goed moeten doen. Hun goede daden, gedaan naar het voorbeeld van Maria, zullen dan de anderen verrassen met de tegenwoordigheid van Christus, zodat er in hen een opspringen van vreugde is. (Homiletisch Directorium, 109)