Eerste zondag van de advent (Jaar B): wederkomst van de Heer

29 nov 2020

Het evangelie van de eerste zondag van de advent is een aankondiging van de op handen zijnde komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, op een onbekende dag en onbekend uur. Wij worden aangespoord om waakzaam en alert te zijn, vreesaanjagende tekenen aan de hemel en op aarde te verwachten, en ons niet te laten verrassen. Het is altijd indrukwekkend zo de advent te beginnen, omdat deze tijd onvermijdelijk Kerstmis voor de geest roept; op veel plaatsen is het algemeen gevoel al bezig met de lieflijke voorstellingen van de geboorte van Jezus in Betlehem. De liturgie laat ons echter deze beelden zien in het licht van andere beelden, die ons eraan herinneren hoe dezelfde Heer, geboren in Betlehem, "zal wederkeren in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden", zoals het Credo zegt.

Op deze zondag worden de christenen eraan herinnerd dat zij zich altijd moeten voorbereiden op deze komst en het oordeel. De advent vormt waarlijk deze voorbereiding: de komst van Jezus met Kerstmis is nauw verbonden met zijn komst op de laatste dag. (vgl. Homiletisch Directorium, nr. 80)

De lezing uit de profeet kan worden geïnterpreteerd als een aanduiding van zowel de uiteindelijke komst in heerlijkheid van de Heer, als van zijn eerste komst in "de nederigheid van het vlees", waaraan Kerstmis zelf herinnert. Zowel Jesaja (jaar A) als Jeremia (jaar C) verkondigen dat "die dagen zullen komen". In deze liturgische context wijzen de woorden die volgen, duidelijk naar de eindtijd; maar zij verwijzen ook naar het op handen zijnde hoogfeest van Kerstmis. (Homiletisch Directorium, nr. 81)

De eerste lezing uit het boek van Jesaja in jaar B doet zich voor in de vorm van een gebed dat de Kerk onderricht over de houding van boete, die eigen is aan deze periode. Zij stelt eerst een probleem voor ogen, nl. dat van onze zonde. "Waarom Heer liet Gij ons van uw wegen afdwalen, zodat ons hart verstokt werd en U niet meer vreesde?". Het is duidelijk dat deze vraag onder ogen moet worden gezien. Wie is in staat het mysterie van de menselijke ongerechtigheid te begrijpen (vgl. 2 Tess. 2, 7)?

Onze eigen ervaring, evenals die van de ons omringende wereld, kan alleen maar uit het diepst van de harten een geweldige, tot God gerichte kreet doen opstijgen: "Scheur toch de hemel open en daal af en de bergen zullen beven voor uw aanblik". Dit droeve beroep vindt een definitief antwoord in Jezus Christus. In Hem heeft God de hemel opengescheurd en is Hij onder ons afgedaald. En in Hem "deed God schrikwekkende dingen, waarop wij niet durfden hopen, waarvan niemand ooit heeft gehoord". Kerstmis is de viering van de wonderbare werken die door God zijn verricht en waarop wij nooit hadden durven hopen. (Homiletisch Directorium, nr. 83)

Op deze eerste zondag van de advent richt de Kerk echter ook de blik op de terugkeer van Jezus in glorie en majesteit. "Scheur toch de hemel open en daal af en de bergen zullen beven voor uw aanblik". De evangelisten beschrijven de laatste komst juist op dezelfde toon. En zijn wij klaar? Nee, wij zijn dat niet en wij hebben inderdaad een tijd van voorbereiding nodig. Het gebed van de profeet gaat verder: "Gij komt hen tegemoet die met vreugde gerechtigheid beoefenen, die bij al wat ze doen aan U denken". Om iets zeer gelijkaardigs wordt gesmeekt in het collectagebed van deze zondag: "Almachtige God, wij vragen U: geeft uw gelovigen de bereidheid Christus, die komende is, tegemoet te gaan met werken van gerechtigheid...". (Homiletisch Directorium, nr. 84)

Natuurlijk is de eucharistische liturgie die wij gaan vieren, de meest intense voorbereiding van de gemeenschap op de komst van de Heer, omdat zij zelf een teken is van zijn komst. In de prefatie waarmee het eucharistisch gebed op deze zondag begint, presenteren de gelovigen zich aan God als degenen die deze komst "nu reeds waakzaam … verwachten". Wij die dank brengen, vragen vandaag al te mogen zingen met alle engelen: "Heilig, Heilig, Heilig de Heer, de God der hemelse machten". Bij de acclamatie "Mysterie van het geloof" brengen wij dezelfde geest van hoop en vastberadenheid tot uitdrukking: "Telkens als wij dit brood eten en de kelk drinken, verkondigen wij uw dood, o Heer, totdat Gij komt". In het eucharistisch gebed gaat de hemel open en daalt God af. Vandaag ontvangen wij het Lichaam en Bloed van de Mensenzoon, die op de wolken met grote macht en heerlijkheid zal komen. Met zijn genade, die rijkelijk geschonken wordt in de heilige communie, kan hopelijk ieder van ons uitroepen: "Ik zal mij oprichten en het hoofd omhoog heffen, want mijn verlossing is nabij". (Homiletisch Directorium, nr. 86)