Eerste zondag van de advent (Jaar C): wederkomst van de Heer

2 dec 2018

Schriftlezingen van de eucharistie

Eerste lezing Jer. 33, 14-16;
Antwoordpsalm: Ps. 25;
Tweede lezing: 1 Tess. 3, 12 – 4, 2;
Evangelie: Lc. 21, 25 - 28 + 34 - 36

 

De lezingen van de eerste zondag van de advent in jaar C zijn neen aansporing om zich bewust te worden van de eindigheid van het leven op aarde en van de wereld, en daaruit de nodige conclusies te trekken voor ons leven nu: eens zal de Heer wederkomen in heerlijkheid om blijvend heil te brengen voor hen die waakzaam uitzien naar zijn komst.

“Het evangelie van de eerste zondag van de advent is een aankondiging van de op handen zijnde komst van de Mensenzoon in heerlijkheid, op een onbekende dag en onbekend uur. Wij worden aangespoord om waakzaam en alert te zijn, vreesaanjagende tekenen aan de hemel en op aarde te verwachten, en ons niet te laten verrassen. Het is altijd indrukwekkend zo de advent te beginnen, omdat deze tijd onvermijdelijk Kerstmis voor de geest roept; op veel plaatsen is het algemeen gevoel al bezig met de lieflijke voorstellingen van de geboorte van Jezus in Betlehem. De liturgie laat ons echter deze beelden zien in het licht van andere beelden, die ons eraan herinneren hoe dezelfde Heer, geboren in Betlehem, ‘zal wederkeren in heerlijkheid om te oordelen levenden en doden’, zoals het Credo zegt. Op deze zondag worden de christenen eraan herinnerd dat zij zich altijd moeten voorbereiden op deze komst en het oordeel. De advent vormt waarlijk deze voorbereiding: de komst van Jezus met Kerstmis is nauw verbonden met zijn komst op de laatste dag.” (vgl. Homiletisch Directorium, nr. 80)

“De lezing uit de profeet kan worden geïnterpreteerd als een aanduiding van zowel de uiteindelijke komst in heerlijkheid van de Heer, als van zijn eerste komst in ‘de nederigheid van het vlees’, waaraan Kerstmis zelf herinnert. Zowel Jesaja (jaar A) als Jeremia (jaar C) verkondigen dat ‘die dagen zullen komen’. In deze liturgische context wijzen de woorden die volgen, duidelijk naar de eindtijd; maar zij verwijzen ook naar het op handen zijnde hoogfeest van Kerstmis.” (Homiletisch Directorium, nr. 81)

Op deze eerste zondag van de advent richt de Kerk echter ook de blik op de terugkeer van Jezus in glorie en majesteit. En zijn wij klaar? Nee, wij zijn dat niet en wij hebben inderdaad een tijd van voorbereiding nodig. Het collectagebed van deze zondag smeekt: “Almachtige God, wij vragen U: geef uw gelovigen de bereidheid Christus, die komende is, tegemoet te gaan met werken van gerechtigheid ...’.” (Homiletisch Directorium, nr. 84)

Het Evangelie van Lucas, dat in jaar C wordt gelezen, geeft een bijzonder levendig beeld van de eindtijd. “Onder de schrikwekkende tekenen die zullen verschijnen, voorspelt Jezus een teken dat al de andere in de schaduw zal stellen, nl. zijn verschijning als Heer van de heerlijkheid. Hij zegt: ‘Dan zullen zij de Mensenzoon zien komen op een wolk, met macht en grote heerlijkheid’. Voor ons, die Hem toebehoren, moet dit geen dag zijn waarop wij beven van angst. Integendeel, Hij zegt: ‘Wanneer zich dit alles begint te voltrekken, richt u dan op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing komt nabij’.” (Vgl. Homiletisch Directorium, nr. 85)

Men kan zich afvragen waarom wij een dergelijke houding van vertrouwen moeten aannemen op de laatste dag. Zeker, dat vraagt om een nauwgezette voorbereiding en het vereist enige verandering in ons leven. Dat is wat de tijd van de advent met zich meebrengt, waarin wij de waarschuwing van de Heer in praktijk moeten brengen: ‘Zorgt ervoor dat uw geest niet afgestompt raakt door een roes van dronkenschap en de zorgen van het leven. Weest daarom altijd waakzaam en bidt dat ge in staat moogt zijn te ontkomen aan al die dingen die zich gaan voltrekken, en dat ge stand moogt houden voor het aangezicht van de Mensenzoon’.”

Natuurlijk is de eucharistische liturgie die wij gaan vieren, de meest intense voorbereiding van de gemeenschap op de komst van de Heer, omdat zij zelf een teken is van zijn komst. In de prefatie waarmee het eucharistisch gebed op deze zondag begint, presenteren de gelovigen zich aan God als degenen die deze komst ‘nu reeds waakzaam … verwachten’. Wij die dank brengen, vragen vandaag al te mogen zingen met alle engelen: ‘Heilig, Heilig, Heilig de Heer, de God der hemelse machten’. Bij de acclamatie ‘Mysterie van het geloof’ brengen wij dezelfde geest van hoop en vastberadenheid tot uitdrukking: ‘Telkens als wij dit brood eten en de kelk drinken, verkondigen wij uw dood, o Heer, totdat Gij komt’. In het eucharistisch gebed gaat de hemel open en daalt God af. Vandaag ontvangen wij het Lichaam en Bloed van de Mensenzoon, die op de wolken met grote macht en heerlijkheid zal komen. Met zijn genade, die rijkelijk geschonken wordt in de heilige communie, kan hopelijk ieder van ons uitroepen: ‘Ik zal mij oprichten en het hoofd omhoog heffen, want mijn verlossing is nabij’." (Homiletisch Directorium, nr. 86)