Feest van de Heilige Familie

29 dec 2019

Het feest van de heilige Familie wordt gevierd op de zondag onder het kerstoctaaf, of wanneer er geen zondag onder het kerstoctaaf valt - zoals in 2016 - op 30 december (Algemene normen voor het liturgisch jaar, nr. 35a).

Op dit feest heeft het Evangelie betrekking op Jezus' kindertijd, de overige lezingen op de deugden van het huiselijk leven. (Ordo lectionum missae, 95)

De evangelisten vertellen praktisch niets omtrent het leven van Jezus vanaf de geboorte tot het begin van zijn openbaar optreden. Het weinige dat ons is overgeleverd, horen wij in evangelieperikopen die voor dit feest worden voorgesteld. De tekenen die de geboorte van de Heiland omgeven, verdwijnen en de Heilige Familie leeft een heel gewoon huiselijk leven, dat de gezinnen wordt aangeboden als voorbeeld om na te volgen, zoals wordt voorgesteld door de gebeden van deze viering. (Homiletisch Directorium, 120)

Toelichting bij de lezingen

In onze dagen ziet de instelling van het gezin zich in verschillende delen van de wereld gesteld voor grote uitdagingen. Eerder dan een eenvoudige morele aansporing betreffende de waarden van het gezin te geven zou de prediking moeten uitgaan van de lezingen van de dag om te spreken over het christelijk gezin als school van het leerling-zijn. Christus, wiens geboorte wij vieren, is in de wereld gekomen om de wil van de Vader te doen: zulke gehoorzaamheid, die de inspiratie van de Heilige Geest volgt, moet in elk christelijk gezin een plaats krijgen. Jozef gehoorzaamt de engel en brengt de Zoon en zijn Moeder naar Egypte (jaar A); Maria en Jozef gehoorzamen de Wet door hun Kind op te dragen in de tempel (jaar B) en door op weg te gaan naar Jeruzalem voor het feest van het joodse Pasen (jaar C). Anderzijds gehoorzaamt Jezus aan zijn aardse ouders, maar zijn verlangen is nog groter om in het huis van de Vader te zijn (jaar C). Als christenen zijn wij ook leden van een andere familie, die samenkomt rond haar tafel, namelijk het altaar: daar voedt zij zich met het offer dat is volbracht, omdat Christus tot de dood toe heeft gehoorzaamd. Wij dienen onze gezinnen te zien als huiskerk, waarin wij het voorbeeld in praktijk moeten brengen van de zichzelf schenkende liefde waaraan wij deel krijgen in de eucharistie. Zo openen alle christelijke gezinnen zich ook naar buiten toe om deel uit te maken van de nieuwe en grotere familie van Jezus: "Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen" (Mc 3, 35). (Homiletisch Directorium, 121)

Het voorschrift uit de Brief van de heilige Paulus aan de Kolossenzen dat de vrouw onderdanig moet zijn aan de man, kan in onze tijd als stuitend worden ervaren. De gecompliceerde passages uit de Schrift hebben ons echter in het merendeel van de gevallen zeer veel te leren en dit specifieke geval biedt de gelegenheid om een onderwerp te behandelen dat de moderne toehoorder wel eens niet zou kunnen liggen, maar dat feitelijk een waardevol en noodzakelijk punt is, als het op de juiste wijze wordt verstaan. De verwijzing naar een gelijkaardige tekst, die ontleend is aan de Brief van de heilige Paulus aan de Efeziërs (5, 21 – 6, 4), maakt het mogelijk de betekenis ervan uit te diepen. Hierin bespreekt Paulus de wederzijdse verantwoordelijkheden van het gezinsleven. De sleutelzin is de volgende: "Weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus" (Ef 5, 21). De originaliteit van het onderricht van de apostel is niet gelegen in het feit dat vrouwen onderdanig zouden moeten zijn aan hun man, wat een voor de hand liggende voorwaarde zou zijn in de cultuur van zijn tijd. Wat nieuw is en echt christelijk, is vooral dat een dergelijke onderdanigheid wederzijds moet zijn: als de vrouw haar man moet gehoorzamen, dan moet deze op zijn beurt, zoals Christus, zijn eigen leven opofferen voor zijn echtgenote. Op de tweede plaats is de reden van wederzijdse onderdanigheid niet eenvoudigweg gericht op de harmonie van het gezin of het welzijn van de maatschappij, maar wordt deze verwezenlijkt uit ontzag voor Christus. Met andere woorden, wederzijdse onderwerping in het gezin is een uitdrukking van het christelijk leerling-zijn; het huis van een gezin is, of dient te zijn, een plaats waar wij onze liefde voor God laten zien door ons leven voor elkaar op te offeren. De homileet kan zijn toehoorders uitdagen om in hun relaties deze zichzelf opofferende liefde te verwezenlijken, die in het middelpunt staat van het leven en de zending van Christus, en die gevierd wordt in de "maaltijd van het gezin" die de eucharistie is. (vgl. Homiletisch Directorium, 122)

Bijzondere gebeden en zegeningen

Het feest van de Heilige Familie van Jezus, Maria en Jozef (de zondag onder het octaaf van Kerstmis) biedt een geschikt kader voor de viering van enkele riten of momenten van gebed die eigen zijn aan het christelijke gezin.

De herinnering aan Jozef, Maria en het kind Jezus die zich, zoals ieder joods praktiserend gezin, naar Jeruzalem begeven om de riten van Pasen te vervullen (vgl. Luc. 2, 41-42), zal aanzetten tot een aanvaarding van het pastorale voorstel dat op die dag het hele gezin aan de eucharistie deelneemt. Veelbetekenend zijn bij een dergelijk feest ook de hernieuwing van de toewijding van heel het gezin aan de bescherming van de Heilige Familie van Nazareth, de zegening van de kinderen, zoals voorzien in het rituale [vgl. Klein Rituale voor de Nederlandse Kerkprovincie, p. 228-229] en, waar de gelegenheid daartoe geboden wordt, de hernieuwing van de trouwbeloften van de gehuwden, nu als ouders [vgl. Klein Rituale voor de Nederlandse Kerkprovincie, p. 235-237], evenals de uitwisseling van het voornemen om te trouwen waarmee de verloofden uitdrukkelijk hun wens uitspreken een nieuw gezin te vormen [vgl. Klein Rituale voor de Nederlandse Kerkprovincie, p. 230-234].

Buiten deze feestdag nemen de gelovigen echter ook graag hun toevlucht tot de Heilige Familie: zij schrijven zich graag in bij de Vereniging van de Heilige Familie om het eigen gezin vorm te geven naar het model van het huisgezin van Nazareth en richten tot haar herhaaldelijk schietgebedjes, waarmee zij zichzelf aan haar bescherming toevertrouwen en vragen om haar bijstand in het uur van de dood. (Directorium voor volksvroomheid en liturgie, nr. 112)