Hoogfeest van de Heilige Maria, Moeder van God (1 januari)

1 jan 2020

Op de octaafdag van Kerstmis en het hoogfeest van de heilige Maria, Moeder van God, gaan de lezingen zowel over de Maagd en Moeder van God, als over de naamgeving van Jezus” (Ordo lectionum missae, 95).

Dit feest sluit de week van de viering van Kerstmis af en in veel delen van de wereld duidt dit ook het begin aan van het nieuwe jaar. De lezingen en gebeden bieden de gelegenheid om nogmaals de identiteit van het Kind in overweging te nemen, van wie wij de geboorte vieren.

Betekenis

Hij is de ware God en de ware Mens. De oude titel Theotokos (Moeder Gods) bevestigt de zowel menselijke, als goddelijke natuur van Christus. Hij is ook onze Heiland (Jezus is de naam die Hij bij de besnijdenis ontvangt, maar Hem door de engel vóór de ontvangenis werd gegeven). Hij redt ons, omdat Hij is geboren onder de Wet en ons verlost door middel van zijn vergoten bloed. De ritus van de besnijdenis viert de intocht van Jezus in het verbond en is een voorafbeelding van “het bloed van het nieuwe en eeuwige verbond, dat voor u en voor velen wordt vergoten tot vergeving van de zonden”.

Ook de rol van Maria in het heilswerk is een centraal thema van deze liturgie, zowel met betrekking tot Christus, die van haar de menselijke nat heeft gekregen, als tot de ledematen van zijn Lichaam: zij is de Moeder van de Kerk, die voor ons ten beste spreekt.

Ten slotte biedt de viering van het nieuwe jaar de gelegenheid om dank te brengen voor de zegeningen die wij in het voorbije jaar hebben ontvangen, en om te bidden dat wij in het jaar dat ons wacht, zoals Maria kunnen samenwerken met God aan de voortdurende zending van Christus.

Het gebed over de offergaven verbindt op uitstekende wijze al deze lijnen: “God, al het goede begint bij U en Gij brengt het tot voltooiing. Op dit feest van de heilige Moeder van God herdenken wij met blijdschap het begin van de verlossing. Wij bidden U: schenk ons ook de vreugde van de voltooiing. Door Christus onze Heer”. (Homiletisch Directorium, 123).

1 Januari als nieuwjaarsdag en werelddag van de vrede

In het westen is 1 januari een dag voor gelukwensen: het begin van het burgerlijk jaar. Ook de gelovigen zijn betrokken bij dit feestelijk klimaat van nieuwjaar en zij wisselen allen de wensen voor een "zalig nieuwjaar" uit. Zij moeten echter een dergelijke gewoonte een christelijke zin weten te geven en er als het ware een uiting van godsvrucht van maken. De gelovigen weten immers dat "nieuwjaar" geplaatst wordt onder het koningschap van Christus en daarom plaatsen ook zij het, wanneer zij gelukwensen uitwisselen, impliciet of expliciet onder de heerschappij van Christus, aan wie de dagen en de eeuwige eeuwen toebehoren (vgl. Apok. 1, 8; 22, 13).

Aan dit bewustzijn sluit de zeer verbreide gewoonte aan om op 1 januari de hymne Veni, creator Spiritus te zingen, opdat de Geest van de Heer de gedachten en handelingen van de individuele gelovigen en de christelijke gemeenschappen in de loop van het jaar geleidt. (Directorium over volksvroomheid en liturgie, 116)

Onder de gelukwensen die mannen en vrouwen op 1 januari onderling uitwisselen, heeft de vredewens een bijzondere plaats. De "vredewens" heeft diepe bijbelse, christologische wortels. Hij heeft zijn diepste wortels in Kerstmis. Om het "goede van de vrede" wordt in het bijzonder gevraagd door de mensen van alle tijden, die hierop toch veelvuldig een aanslag plegen op de meest geweldadige en vernietigende wijze: door oorlog.

De Apostolische Stoel heeft, delend in de diepe verlangens van de volken, vanaf 1967 voor 1 januari de viering afgekondigd van de "Werelddag van de vrede". De volksvroomheid is niet ongevoelig gebleven voor dit initiatief van de Apostolische Stoel en in het licht van de pasgeboren Vredevorst maakt zij van deze dag een intens moment van gebed voor de vrede, van opvoeding tot de vrede en de hiervan onlosmakelijke woorden zoals vrijheid, solidariteit en broederschap, waardigheid van de menselijke persoon, eerbied voor de natuur, recht op werk en de heiligheid van het leven, van het aanklagen van mistoestanden die het geweten verduisteren en de vrede bedreigen. (Directorium over volksvroomheid en liturgie, 117).