Goede Vrijdag

19 apr 2019

Op deze dag waarop “ons paaslam, Christus, is geslacht” (1 Kor. 5,7), overweegt de Kerk het lijden van haar Heer en Bruidegom en vereert zij zijn kruis; zij gedenkt dat zij geboren is uit de zijde van Christus tijdens zijn doodsslaap aan het kruis en zij spreekt ten beste voor het heil van de gehele wereld. (Paschalis sollemnitatis, 68)

Getijdengebed

Het verdient ten zeerste aanbeveling om op Goede Vrijdag de lezingendienst en het morgengebed gemeenschappelijk te vieren. Het is een goede zaak dat in de kathedrale kerk, zo mogelijk de bisschop hieraan deelneemt, samen met de clerus en het volk. Deze getijden, die vroeger de naam droegen van ‘Donkere Metten’, behoren een plaats te krijgen in de godsdienstige beleving van de gelovigen om het lijden, de dood en de begrafenis van de Heer met eerbied te overwegen en te beschouwen, terwijl zij uitzien naar de aankondiging van de verrijzenis. ... wordt ten zeerste aanbevolen. Waar de viering van de lezingendienst en het morgengebed met deelname van het volk niet mogelijk is, zal men een andere viering van het woord Gods houden of een oefening van godsvrucht die aansluit bij het mysterie van deze dag. (vgl. Paschalis sollemnitatis, 40 en 73)

Voor wie op Goede Vrijdag aan de liturgische viering van het lijden en sterven van de Heer deelneemt, vervalt het avondgebed van de betreffende dag. (Institutio Generalis Liturgiae Horarum, 209)

De plechtige herdenking van het lijden en sterven van de Heer

Opening van de viering

De priester en assistenten gaan in stilte naar het altaar; er wordt ondertussen niet gezongen. Indien er een inleidend woord moet zijn, gebeurt dit vóór de intrede van de priester en zijn assistenten.

Na een eerbiedsbetuiging voor het altaar, werpen priester en assistenten zich ter aarde neer; deze prostratie is een rite die eigen is aan deze dag en moet zorgvuldig onderhouden worden; zij betekent zowel de vernedering van de aardse mens als de droefheid en de smart van de Kerk.

De gelovigen staan tijdens de intrede van priester en assistenten en knielen vervolgens neer om in stilte te bidden. (Paschalis sollemnitatis, 65)

De lezingen

De perikope uit Jesaja (Jes. 52,13 − 53,12) is een van de passages uit het Oude Testament waarin de christenen voor het eerst de profeten hebben zien wijzen op de dood van Christus. En door deze passage te verbinden met de passie volgen wij een werkelijk oude apostolische traditie, omdat Filippus juist dit deed in het gesprek met de Ethiopische eunuch (vgl. Hand 8, 26-40). … De woorden van de profeet geven, om zo te zeggen, vanuit Gods standpunt, een commentaar op het tafereel van Jezus die aan het kruis hangt. Wij worden uitgenodigd de heerlijkheid te zien die in het kruis verborgen ligt: ‘Zie, mijn dienaar zal succesvol handelen, hij zal worden verhoogd en verheven en zeer verheerlijkt’ (Jes. 52, 13). (vgl. Homiletisch Directorium, 43-44).

De liturgische viering op Goede Vrijdag bij het Lijden van de Heer bereikt haar hoogtepunt in het passieverhaal volgens Johannes over Hem die in het boek van Jesaja als de Dienaar van de Heer werd aangekondigd en die door Zichzelf aan te bieden aan de Vader werkelijk de éne priester is geworden (vgl. Homiletisch Directorium, 43).

Het lijdensverhaal volgens Johannes geschiedt met bijzondere plechtigheid en wordt op dezelfde wijze gezongen of gelezen als op Palmzondag. Het is aan te raden dat het op de traditionele wijze wordt gezongen of voorgelezen, namelijk door drie personen die respectievelijk de rol van Christus, van de evangelist en van het volk vervullen. Het lijdensverhaal moet worden gezongen of gelezen door diakens of priesters, of, als zij er niet zijn, door lectoren; in dit geval moet de rol van Christus voorbehouden blijven aan de priester-celebrant. Deze verkondiging van het lijden en sterven geschiedt zonder begeleiding van licht en wierook, zonder begroeting van het volk en zonder bekruising van het boek; alleen de diakens vragen de zegen van de priester, zoals anders vóór het evangelie. Het verdient aanbeveling tot geestelijk welzijn van de gelovigen het lijdensverhaal in zijn geheel te lezen en de daaraan voorafgaande lezingen niet over te slaan. (Paschalis sollemnitatis, 66 en 33).

Het universele gebed

De liturgie van het woord wordt besloten met het universele gebed en wel als volgt: als er een diaken is, of bij diens afwezigheid een assistent die leek is, spreekt staande bij de ambo, de uitnodiging uit, d.w.z. de intentie. Daarna bidden allen enige tijd in stilte. Vervolgens zegt de priester bij zijn zetel of eventueel aan het altaar het gebed (Missale Romanum)

De voorbede zal gehouden worden met de tekst en in de vorm die van oudsher zijn overgeleverd, en wel met heel de omvang van intenties, daar dit een treffende verwijzing is naar de alles omvattende kracht van het lijden en sterven van Christus die voor het heil van de gehele wereld aan het kruis heeft gehangen. De plaatselijke ordinaris kan in geval van een ernstige publieke nood toestaan of voorschrijven dat een aparte intentie wordt toegevoegd.

Uit de reeks gebeden die in het missaal staan, mag de priester die gebeden kiezen die, gezien de plaatselijke situatie, het meest geschikt zijn, maar de volgorde van de intenties, die naar gewoonte voor de voorbede geldt, moet gehandhaafd blijven. (Paschalis sollemnitatis, 67).

De aanbidding van het kruis

Het kruis kan op twee verschillende wijzen getoond worden; men kieze die wijze welke het bestaan de pastorale eisen voldoet. Daarbij speelt ook een rol, of de kruisen in de kerk al dan niet verhuld waren vanaf de vijfde zondag van de veertigdagentijd (zie daar: link)

       Eerste wijze van kruistoning: drievoudige onthulling van het kruis

Een bedekt kruisbeeld, dat door twee acolieten met brandende kaarsen wordt begeleid, wordt naar het altaar gebracht. Staande voor het altaar neemt de priester het kruis over, ontdoet het aan de bovenzijde gedeeltelijk van de doek die het bedekt en heft het omhoog, terwijl hij de woorden zingt van de uitnodiging om het kruis te aanschouwen; deze woorden worden meegezongen door de diaken en indien nodig, door het koor. Allen antwoorden: Komt, laten wij aanbidden. Hierna knielen allen neer en aanbidden een ogenblik in stilte het kruis dat door de priester wordt omhooggeheven. Vervolgens ontdoet de priester de rechterarm van het kruis van de doek die het bedekt, heft opnieuw het kruis omhoog, terwijl hij de woorden zingt van de uitnodiging om het kruis te aanschouwen, waarna allen antwoorden enz. (zoals bij de eerste keer). Tenslotte neemt hij de doek geheel van het kruis af, heft het voor de derde maal omhoog, terwijl hij de woorden zingt van de uitnodiging enz. (zoals bij de eerste keer). (Altaarmissaal, p. 329-330)

       Tweede wijze van kruistoning: binnendragen en tonen van reeds onthuld kruis

De priester of de diaken (eventueel een andere assistent) gaat samen met de assistenten naar de kerkdeur; daar neemt hij een kruisbeeld dat niet bedekt is, terwijl de acolieten kandelaars met brandende kaarsen nemen. Vervolgens trekken zij in processie door de kerk naar het priesterkoor. Bij de deur, in het midden van de kerk en voor de ingang van het priesterkoor wordt het kruis omhoog geheven en zingt degene die het draagt de uitnodiging om het te aanschouwen, waarop allen antwoorden: Komt, laten wij aanbidden en vervolgens neerknielen om het kruis een ogenblik in stilte te aanbidden (zie boven). (Altaarmissaal, p. 329-331) Daarna wordt het kruis met de kandelaars bij de ingang van het priesterkoor geplaatst. (Altaarmissaal, p. 329-331)

Voor de kruisverering moet het kruis groot genoeg en mooi zijn en bij het tonen kiest men één van de beide mogelijkheden van het missaal. Deze rite moet voltrokken worden met een luister die het mysterie van ons heil waardig is: zowel de uitnodiging bij het tonen van het kruis als het antwoord van het volk moeten gezongen worden en men moet na elke kniebuiging een eerbiedige stilte onderhouden, terwijl de priester blijft staan en het kruis omhooggeheven houdt. (Paschalis sollemnitatis, 68)

Daarna draagt de priester het kruis, dat door twee acolieten met brandende kaarsen wordt begeleid, naar de toegang tot het priesterkoor of naar een andere geschikte plaats en legt het daar neer of geeft het aan de acolieten die het bij de armen vastnemen; aan beide zijden van het kruis worden de brandende kaarsen geplaatst. Vervolgens heeft de kruisverering plaats. (Altaarmissaal, p. 330-331)

       Persoonlijke kruishulde

Daarna komen eerst de priester, vervolgens de geestelijkheid en leken-assistenten en de gelovigen naar voren om als het ware in processie langs het kruis te trekken en dit te vereren met een kniebuiging of op een andere wijze overeenkomstig de plaatselijke gebruiken (men kan bijv. het kruis kussen). (Altaarmissaal, 331-332). Het kruis moet aan elke gelovige afzonderlijk ter verering worden voorgehouden, omdat de persoonlijke verering van het kruis een zeer belangrijk onderdeel is in deze viering, en alleen in geval van een overgrote toeloop van het volk mag men het kruis door allen tegelijk laten vereren. Op grond van de waarachtigheid van het teken mag er slechts één enkel kruis ter verering worden aangeboden. Bij de kruisverering moet men de antifonen, het ‘beklag van God’ en de hymne zingen daar zij de heilsgeschiedenis op lyrische wijze in herinnering roepen, of andere aangepaste gezangen. (Paschalis sollemnitatis, 69)

De communie-ritus

De priester zingt de inleiding op het gebed des Heren, dat door allen gezongen wordt. Er is geen vredewens. De communie geschiedt op de wijze die in het missaal is beschreven. Na het uitreiken van de communie wordt de ciborie naar een hiervoor bestemde plaats buiten de kerk gebracht. (Paschalis sollemnitatis, 70)

Op het gebed na de communie volgt de wegzending door middel van een gebed over het volk en gaan allen in stilte heen.

Na de viering

Na de viering wordt het altaar ontbloot, maar het kruis en vier kandelaars blijven staan. In de kerk zal men een geschikte ruimte inrichten (bijvoorbeeld de kapel waar op Witte Donderdag de eucharistie bewaard werd) waar het kruis des Heren wordt geplaatst, zodat de gelovigen het kunnen vereren en kussen en er een persoonlijke overweging kunnen houden. (Paschalis sollemnitatis, 71)

Andere liturgische bijzonderheden

(uit de brief van de Nederlandse bisschoppen: “De viering van het Paastriduum”, 22 febr. 2012):

1. De liturgie van het lijden van de Heer op Goede Vrijdag moet plaatsvinden in de middaguren en wel omstreeks drie uur. Om pastorale redenen kan men een later tijdstip kiezen waarop het volk gemakkelijker kan samenkomen, maar niet na negen uur ’s avonds (Paschalis sollemnitatis, nr. 63).

2. De liturgie van het lijden en sterven van de Heer kan alleen gevierd worden met een priester als celebrant. De liturgie voorziet niet in de mogelijkheid, dat diakens of leken deze viering leiden. Ook de inhoud mag niet veranderd worden.

3. Op deze dag wordt de eucharistie niet gevierd; alleen tijdens de viering van het lijden en sterven van de Heer wordt de heilige communie aan de gelovigen uitgereikt. Bij afwezigheid van een priester wordt er geen woord- of communieviering gehouden. Aan zieken die niet kunnen deelnemen aan deze viering, kan de communie echter op elk uur van de dag worden gebracht volgens de ritus voor het uitreiken van de Communie buiten de mis.

4. Het verdient aanbeveling op deze dag de lezingendienst en het morgengebed met deelname van het volk in de kerk te vieren.

5. Waar een kruiswegoefening op Goede Vrijdag gehouden wordt, kan deze het beste voorafgaan aan de liturgie van Goede Vrijdag. Waar het beter is de liturgie van het lijden van de Heer in de avonduren te vieren, bestaat daartegen geen bezwaar.

6. Sacramentele vieringen zijn op deze dag absoluut verboden, met uitzondering van het sacrament van boetvaardigheid en van de ziekenzalving. Een uitvaart gebeurt zonder mis, zonder zang en zonder orgel en klokgelui.